AI biedt dé kans uit te vinden hoe we zelf mogelijk denken
We hebben het de laatste jaren allemaal zien gebeuren. AI blijkt steeds beter in staat om aspecten van menselijke intelligentie na te bootsen, van het samenvatten van tekst tot het schrijven van programmeercode. Tegelijkertijd blijft het narratief in het publieke debat dat computers niet ‘echt’ intelligent zijn. Het is allemaal leuk en aardig wat AI kan, maar uiteindelijk is er een lijn: dat is een computer, en dit zijn wij.
Deze blik is hardnekkig, en dat begrijp ik natuurlijk wel. We weten immers allemaal dat een computer van binnen slechts een groot uitgevallen rekenmachine is. Zo’n apparaat kan toch nooit de complexiteit van ons eigen denken benaderen?
De verschillen zijn echter kleiner dan we ons doorgaans realiseren. Het centrale uitgangspunt van de AI is dat intelligentie een rekenkundig proces is – het zogeheten ‘computationalisme’. Dat inzicht stamt al uit de 17e eeuw – ver voordat de computer ontdekt werd. Wetenschappers als Hobbes en Leibniz stelden toen al dat het proces in ons hoofd rekenkundig van aard is.
De wetenschappelijke revolutie
Nu voelt die stelling waarschijnlijk abstract: waar zitten die getallen dan in mijn hoofd? Maar dat is niet het punt. Het centrale idee van de hele natuurwetenschap is dat we onze wereld kunnen beschrijven op basis van getallen. Dat doen we op allerlei vlakken: de banen van hemellichamen, de snelheid van een auto, de krachten op een brug, het voltage op je stopcontact. De rekenkundige blik op onze wereld heeft ons veel begrip (en welvaart) opgeleverd.
Het computationalisme stelt dat ook het proces in ons brein rekenkundig te beschrijven is. Het verbaast me vaak hoeveel weerstand deze stelling bij mensen kan oproepen. We vinden het immers geen probleem om andere aspecten van ons lichaam uit te drukken in getallen: de hoogte van onze bloeddruk, de zuurstofsaturatie in ons bloed, de functie van onze lever of nieren. Maar wanneer ons denken als een berekening zou zijn te beschrijven, vliegen we allemaal tegen het plafond.
Nu bewijst de rekenkundige blik op intelligentie natuurlijk niet dat een computer daadwerkelijk op dezelfde manier denkt als een mens. En voor de vroege AI gold dat eigenlijk ook niet. De eerste schaakcomputers kwamen bijvoorbeeld tot slimme beslissingen via het doorrekenen van miljoenen toekomstige zetten – iets wat menselijke schakers duidelijk niet doen.
De rekenkundige werking van zenuwcellen
Voor de huidige kunstmatige intelligentie ligt dat echter anders. Moderne AI draait zo goed als volledig om artificiële neurale netwerken: rekenkundige systemen die duidelijk zijn geïnspireerd op de netwerken van biologische zenuwcellen in ons brein (zie bovenstaand plaatje). En de verbindingen in die netwerken worden in computers afgesteld op basis van data – net zoals de verbindingen in ons brein tijdens ons leven veranderen op basis van wat we meemaken.
Voor de duidelijkheid: ik beweer niet dat de huidige AI op menselijk niveau zit, of dat de leeralgoritmen in computers gelijk zijn aan de manier waarop ons brein leert. De redenering is eerder andersom. We kunnen moeilijk ontkennen dat AI steeds opvallender aspecten van menselijke intelligentie begint na te bootsen, via methoden die geïnspireerd zijn op de werking van ons brein. Die ontwikkeling kunnen we niet blijven negeren, en roept vooral de omgekeerde vraag op: in hoeverre is ook onze eigen intelligentie te verklaren als een objectief proces in ons brein dat we rekenkundig kunnen beschrijven?
Voor sommige mensen voelt dit perspectief als een groot verlies, maar dat is het volgens mij juist niet. De rekenkundige blik op dit universum heeft ons zoveel opgeleverd, van elektriciteit tot MRI en ruimtevaart. Het is tijd dat we dat perspectief op intelligentie, en daarmee AI, gaan omarmen als dé kans om uit te vinden hoe we zelf mogelijk denken.


