We moeten AI in het onderwijs benaderen als de rekenmachine

 


Een veelgehoorde kritiek op kunstmatige intelligentie is dat het ons dommer zal maken. We hoeven door AI immers steeds minder zelf na te denken, en daardoor trainen we onze cognitieve vaardigheden niet meer. Die angst geldt bij uitstek voor het onderwijs – de plek waar onze kinderen zich horen te ontwikkelen tot slimme volwassenen. Maar lukt dat nog wel in het AI-tijdperk? 


Nu ervaar ik als universitair docent natuurlijk ook de uitdagingen die AI introduceert in het onderwijs. De publieke reflex lijkt echter vooral: laten we kunstmatige intelligentie dan maar helemaal uit het onderwijs weren. En daar begaan we een grote fout. AI hoeft ons namelijk niet dommer te maken, we moeten er als samenleving slimmer mee omgaan. 


Allereerst moeten we erkennen dat AI voor gemotiveerde leerlingen ook ongekende kansen biedt. AI-modellen functioneren als een soort interactief studieboek: je kunt ze bevragen over praktisch elk onderwerp, van de werking van biologische cellen tot de opbouw van politieke systemen. AI is inhoudelijk een soort universele docent, met een overzicht aan kennis waar geen menselijke onderwijzer zich meer mee kan meten.


Tegelijkertijd voltrekt zich door AI wel degelijk een stille ramp in het onderwijs. Het probleem is dat leerlingen AI niet alleen als docent gebruiken, maar als vervanging. Verslagen schrijven, samenvatten, programmeren, kritisch analyseren: opdrachten worden (thuis) massaal in de AI geworpen. Nu is plagiaat op zichzelf van alle tijd: ook vroeger werd huiswerk weleens voorgezegd door een broer of zus. Maar de verleiding is door AI schrikbarend verlaagd, en we kunnen de verantwoordelijkheid om die te weerstaan niet op de schouders van onze kinderen leggen.  




Leren, examineren, ondersteunen


Wat we echter snel vergeten: we hebben dit proces in kleinere vorm al eerder meegemaakt. Zo’n vijftig jaar geleden werd ons onderwijs overspoeld door de rekenmachine. Een apparaat dat automatisch getallen kan optellen en vermenigvuldigen – een smalle vorm van kunstmatige intelligentie. We zijn daarna echter niet gestopt met het geven van rekenonderwijs aan kinderen. Je moet als kind eerst zelf leren rekenen, en als je dat eenmaal kunt, mag je er daarna een rekenmachine voor gebruiken.


De oplossing voor ons probleem is daarmee in zekere zin al bekend: wat het onderwijs vooral nodig heeft is een nieuwe blik op examinering. Op de basisschool mag een kind bij de rekentoets immers ook geen rekenmachine gebruiken. Die blik moeten we doortrekken naar de rest van het onderwijs: vaardigheden moeten zoveel mogelijk ter plekke worden geëxamineerd, zonder hulpmiddelen, zodat je ze eerst zelf moet aanleren. En als je het eenmaal zelf kunt, mag je er daarna een hulpmiddel bij gebruiken. Dan kan AI je namelijk veel opleveren, zowel qua tijd als correctie van fouten – net als bij de rekenmachine. 


Uiteraard is AI een bredere technologie dan de rekenmachine, en de maatschappelijke uitdaging is daarmee groter. Zeker jonge kinderen verdienen onze voortdurende begeleiding, op school én thuis, bij het verantwoord gebruik van AI. En sommige opdrachten in het hoger onderwijs, zoals grotere onderzoeksprojecten, kunnen alleen in eigen tijd uitgevoerd worden – maar dan zullen docenten de tijd moeten nemen (en krijgen) om studenten onderweg in detail te bevragen. Dat we AI gaan weren uit de levens van onze kinderen lijkt me een utopie, dat we ons onderwijssysteem anders kunnen inrichten een mooie uitdaging – en daar hoeven we niet eens slechter uit te komen.